separator

Welkom in de MediterraNed Blog!

Als u een bijdrage in deze blog wilt plaatsen, dan kunt u uw tekst eventueel met kop en foto sturen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Madrid, dé hoofdstad van Spanje en de bruisende stad waar ik zal vertoeven voor maar liefst 6 maanden. Voordat ik vertrok naar Spanje, wist ik enkel dat ik in Malasaña ging verblijven en dat ik een Engels traject ging volgen aan de Universidad Complutense, andere zaken waren nog een grote verrassing, of beter, een grote uitdaging voor mij.

In de eerste twee weken volgde ik een intensieve cursus Spaans zodat ik mijn plan kon trekken in het dagelijkse leven, want ik merkte dat ik met Engels niet altijd even ver kwam. Ik heb mij soms onzeker gevoeld over mijn Spaans en het gevoel dat het niet altijd even gemakkelijk is om zomaar met de lokale bevolking een voor mij vreemde taal te spreken, was niet altijd even aangenaam. Maar ik voelde mij groeien en dat zorgde anderzijds weer voor een zekere voldoening.

In mijn eerste maand kreeg ik een mail met een vacature omtrent student-assistent voor het Nederlandse departement. Dit wakkerde meteen mijn enthousiasme aan. Een ideale gelegenheid om meer met de Spaanse bevolking in contact te komen, ervaringen te delen en mijn bijdrage te leveren met mijn eigen Nederlandse taal in Spanje, hoe fijn is dat! Na het kennismakingsgesprek was ik nog meer overtuigd. De gesprekken die ik zou hebben, gaan door in een klaslokaal of in de cafetaria, in mijn ogen een heel aangename en fijne manier om met de leerlingen de gesprekken te kunnen voeren.

De lessen startten al vrij snel, een beetje afwachtend en spanningsvol omdat ik hoopte dat de connectie en de communicatie goed zouden zitten. De gesprekken die trouwens voor een eerste dag al vrij druk waren, gingen uiteindelijk heel vlot. Mijn standaardvraag peilde naar de reden van een cursus Nederlands want daar was ik zelf altijd heel benieuwd naar. Het is een clichévraag, maar hieruit kwamen altijd heel boeiende verhalen naar voren, de personen begonnen te vertellen over hun grote liefdes waarvoor ze de taal willen leren, voor betere jobkansen of zelfs bij enkele knappe taalkoppen omdat ze hun taalkennis willen uitbreiden. Na de eerste gesprekken met de studenten kreeg ik onmiddellijke feedback van de docenten, dat gaf me een goed gevoel en energie voor de komende weken.

Een mix van mensen met hun eigen verhalen en met hun persoonlijke vertelstijl maakte het boeiend, interessant en...prettig. De ene zijn Nederlands was al wat beter dan de andere en niet iedereen was een even grote spraakwaterval, toch hadden ze elk één ding gemeenschappelijk: hun enthousiasme. Het waren jongeren van mijn leeftijd, mensen op pensioen of mensen met kinderen, en toch probeerden zij elke week opnieuw te komen en overwonnen zij de angst om met iemand die de moedertaal spreekt, te praten. En zoals ik zelf in het begin heb kunnen ervaren, is dat niet zo vanzelfsprekend.

Je merkte dat er op den duur een vaste groep kwam opdagen, er waren aanvankelijk een aantal twijfelaars. Maar in de vaste groep kon je verder bouwen op gesprekken en kon je vaak ook een zekere vooruitgang zien, zowel in de vertrouwensband als in hun taal en durf. Deze verandering is als taalassistent een leuke ervaring om te zien. Uiteindelijk is het een wederzijdse hulp, zij konden vertellen over Spanje en daar kon ik ook profijt uit halen, ook dat hield de schwung in het gesprek.

Deze ervaring is een van de uitdagingen die ik heb gehad in Madrid waar ik het meest enthousiast maar ook enorm fier over ben. De samenwerking met de docenten, met de studenten en met de school was op zijn minst gezegd heel genoeglijk. De verhalen en persoonlijkheden van de studenten zullen mij lang bijblijven en ook de manier om via deze weg meer geïntegreerd te zijn in hun cultuur, maakte het avontuur compleet. De laatste twee weken probeerde ik met de studenten op andere plaatsen af te spreken, ik kwam terecht in een Belgisch café ( waar ik nu trouwens nog vaak vertoef), in nieuwe wijken en in de werkomgevingen van de mensen. Allemaal kunnen ze vlot in het Nederlands hun persoonlijke verhalen ter plaatse vertellen.

Het voordeel van verschillende gesprekken te hebben is bovendien dat je merkt dat heel veel mensen dezelfde soorten fouten maken en dat maakt het makkelijker om ze te verbeteren of om hen gerust te stellen dat het normaal is dat ze struikelen over die zinsbouw of uitdrukking. Al doende samen leren gaf een verrijkend gevoel.

Als reflectie zou ik beginnende studenten willen overtuigen, blijven te komen. Vooral omdat ik vond dat zij na amper één jaar Nederlands vaak heel wat vaardigheden verworven hadden. Ik had niet verwacht dat het niveau zo hoog zou liggen en soms blijft het vreemd om Spanjaarden zo goed Nederlands te horen praten. Dit had ik in het begin van mijn Erasmus niet verwacht veel tegen te komen. Uiteindelijk allemaal heel leuke herinneringen.

Een native speaker inschakelen in het taalprogramma geeft zoveel mogelijkheden voor de studenten als voor de begeleider zelf. Het is een programma waar ik van droom om zo in België ook mijn Spaans op een natuurlijke functionele manier te leren.

Hartelijk dank voor de geboden kansen.

Tijdens het eerste semester van het vierde jaar van mijn studie Taal- en letterkunde: Engels-Spaans aan de KULeuven, ging ik op Erasmus naar de Universidad Complutense te Madrid. Aan deze universiteit, kwam ik te weten dat er zoiets bestaat als ‘student-assistent’ voor de docent Nederlands. Na even getwijfeld te hebben, besloot ik dat ik deze kans echt niet kon laten liggen.

Als student-assistent was ik verantwoordelijk voor de conversatielessen voor de studenten Nederlands. De studenten hadden nog nooit eerder Nederlands gestudeerd, dus we begonnen vanaf nul. Elke week was er een les over een ander thema: eten en drinken, kledij, de weg vragen, enz. Ook werden bepaalde aspecten van de Nederlandse en Vlaamse cultuur besproken: eetgewoontes, verjaardagen, de eindejaarsperiode, Sinterklaas, enz. Ik probeerde de studenten zo veel mogelijk zelf te laten spreken, onder andere door het voeren van dialoogjes of het stellen van vragen. Op het einde van elke lessen luisterden we meestal naar een liedje in verband met het thema van die les.
Ik vond deze studentenjob een ideale manier om zelf eens te kunnen ervaren hoe het eraan toegaat “achter de schermen” van een universiteit. Zo heb ik niet enkel les gegeven, maar ook artikels geschreven voor MediterraNed en een artikel nagekeken voor de docent Nederlands.
Een van de meest fascinerende aspecten van deze job was dat ik als buitenstaander naar mijn eigen moedertaal moest leren kijken. Ik ben altijd al enorm gefascineerd geweest door taal en door mijn studie ben ik ook veel met taal bezig. Ik studeer echter geen Nederlands, waardoor ikzelf ook veel heb bijgeleerd dit semester. Ik was zelf verbaasd over hoe vaak ik bepaalde regels moest opzoeken omdat ik ze zelf eigenlijk niet kende. De regels voor verkleinwoorden, het verbuigen van adjectieven en de woordvolgorde kon ik uiteraard allemaal zonder problemen toepassen, maar ik kon ze eigenlijk niet uitleggen.
Ook het van het culturele aspect van het lesgeven heb ik echt genoten. Elke week probeerde ik een klein stukje cultuur te incorporeren in de les. Hierdoor leerden de studenten niet alleen meer over de Vlaamse cultuur, maar ik leerde dankzij hen ook meer over de Spaanse cultuur.
Deze job heeft me ook doen beseffen dat het doceren van een taal echt geen gemakkelijke opdracht is. Ten eerste moet je de taal echt tot in de puntjes beheersen en begrijpen om ze op een duidelijke manier te kunnen overbrengen aan de studenten. Ten tweede moet je zelf ook kunnen aanvoelen wat de noden zijn van de klas en van de individuele studenten. Soms merkte ik dat bepaalde aspecten toch moeilijker bleken dan gedacht; zo probeerde ik bijna elke week heel kort de getallen en de uitspraak te herhalen. Ook leert niet iedereen op hetzelfde tempo, waardoor het soms wat wikken en wegen was om te weten aan welk tempo ik het beste les kon geven. Gelukkig kon ik altijd rekenen op de tips van María José bij het voorbereiden van mijn lessen.
Al bij al vond ik deze ervaring echt wel de moeite waard. Ik heb heel erg veel bijgeleerd en ik heb ook ervaring kunnen opdoen. Het is de ideale studentenjob voor iedereen met een interesse in taal en het onderwijzen van taal. Het was ook heel erg fijn om te zien hoe de studenten vorderingen maakten. Ik hoop dan ook dat ik de studenten enthousiast heb kunnen maken voor de Nederlandse taal.

In de verte zie je een boot vol met gekleurde mensen die rond een bebaarde man staan. Wie zijn ze? Een groep enge piraten? Nee… zeker niet! Ze zijn Sinterklaas met zijn helpers, de Pieten!
In november, in Nederland, is het tijd om te feesten. De steden worden met leuke lichten versierd. Deze lichten samen met de sneeuw scheppen de sfeer van de koude Nederlandse steden die we allemaal op een kaartje hebben gezien. Sinterklaas komt uit Spanje om grappige cadeautjes aan de kinderen te geven. Iedereen is blij, de wegen zitten vol met mensen van alle leeftijden die vergaderen om deze bijzondere traditie te vieren. We hebben dezelfde magische sfeer willen creëren in onze universiteit “L’Orientale” van Napels. Op 5 december hebben we met de andere studenten van de Nederlandse cursus en onze twee leraren, prof. Franco Paris en prof.ssa Luisa Berghout, elkaar ontmoet in een kleine klas. Iedereen heeft iets te eten of te drinken meegebracht en, om half vijf, zijn we begonnen te vieren. Met de hulp van gezellige liedjes voelden we ons echte Nederlanders! Ook al waren we in Napels die natuurlijk warmer dan Amsterdam is (..).
We hebben allemaal met elkaar gemeen een sterke passie voor deze taal en deze cultuur en Sinterklaas was een goede kans om deze band beter te voelen.
5 december 2017
De studenten van L’Orientale, Napels

maandag, 18 december 2017 14:37

Mijn Erasmus ervaring in Antwerpen

Geschreven door

Twee jaar geleden heb ik mijn kandidatuur naar het Erasmus programma gestuurd om in één Nederlandstalig land te studeren.
Ik wist nog niet wat één Erasmus ervaring was of betekende maar op 31 januari 2017, kreeg ik de kans om dat te ontdekken.
Ik ben in Antwerpen aangekomen en ik was heel enthousiast hoewel ik al drie keer daar ben geweest. Ik heb een kleine studio bij het stadspark moeten huren om te voet naar de campus te gaan. Ik heb aan de Katholieke Universiteit van Leuven gestudeerd. Volgens het Erasmus programma moest ik vier tentamens van 8Ects halen maar, in België, is elk examen van 4Ects zo uiteindelijk heb ik 8 Belgische cursussen gecombineerd om mijn vier Italiaanse examens te krijgen.
Het Belgische onderwijssysteem is praktischer dan dat in Italië. De studenten moeten elke maand presentaties voorbereiden of papers opschrijven. Iedereen gebruikt zijn laptop of zijn onlineboeken om te studeren. Elke les is gegeven in de taal die je studeert om dieper in de vreemde taal en cultuur binnen te dringen. Het was erg zwaar, maar gelukkig ben ik voor alle tentamens geslaagd.

 

In België is het leven duurder dan dat in Italië, de reden waarom ik op een klein meisje heb gepast.

Antwerpen is kleiner dan Napels maar heel mooi; ik hou van zijn multicultureel centrum, zijn veelkleurige maatschappij, zijn Gotische gebouwen en ik vind de Belgische productie van chocolade en bieren heel lekker en bijzonder.

Wat heb ik van deze ervaring meegekregen?
Ik heb één persoonlijke groei en één typische uitspraak uit Vlaanderen gekregen. Bovendien is mijn liefde voor het Nederlands zeker groter geworden en ik zou graag daar verhuizen om te leven en om een master in meertalige communicatie te beginnen.

                                                                                 Anna Ricciardelli, L’Orientale Napels

vrijdag, 08 september 2017 12:36

Mijn stageperiode in Madrid

Geschreven door

Ik zit in mijn laatste jaar secundair onderwijs, aan de Arteveldehogeschool in Gent, met als vakken Nederlands en Plastische opvoeding en ik ben afgestudeerd in juni. Als kers op de taart van mijn drie jaar durende studie, mocht ik naar Madrid om daar mijn stage af te ronden met vier weken les geven aan de UCM. Ik laat een prachtige periode achter me en vlieg nu weer naar een toekomstig avontuur.

Mijn takenpakket bestond uit verschillende opdrachten. Zo gaf ik wekelijks conversatielessen aan de studenten om zo hun mondelinge taal te oefenen. Een erg leuke opdracht. Ik stak er hier en daar wat doe-opdrachten in en deed actieve oefeningen om zo op een niet al te geforceerde manier het Nederlands te oefenen. We speelden onder andere een spel om de lichaamsdelen te benoemen. Een creatieve poëzieles kwam ook aan de beurt. De studenten maakten kennis met Nederlandstalige poëzie door het onmiddellijk te proberen. Ze maakten gedichten met kranten en schreven in het kader van street-art een elfje op de grond voor de campus. Verder beluisterden we enkele mooie stukjes poëzie. Heel even voelde het voor hen wat onwenning aan maar wanneer het elfje aan bod kwam, kwamen ze helemaal los, heel fijn om te zien.

                        

Naast de gewone lessen gaf ik ook extra lessen aan twee geselecteerde studenten die een zomercursus in Salamanca zullen volgen, georganiseerd door MediterraNed. Omdat er daar heel erg veel rond film en theater zal worden gewerkt, maakte ik een kleine cursus omtrent deze onderwerpen om hen voldoende klaar te stomen. Ze maakten onder meer kennis met de verschillende soorten theater en film en de voorbeelden die we kennen in België. Ze bekeken daarom ook heel wat theater- en filmfragmenten en dat sprak hen volgens mij wel aan, ookal was het soms moeilijk om te verstaan. Theater- en filmtaal om te gebruiken in Salamanca: check!

Tijdens mijn stageperiode aan het UCM catalogiseerde ik ook boeken in de faculteitsbibliotheek. Heel wat boeken hadden nog dringend nood aan een plaatsje in de bibliotheek en de bijhorende catalogus dus daar hielp ik met veel plezier aan mee. Heel wat Nederlandstalige pareltjes passeerden de revue, aan goede boeken hebben ze daar dus geen gebrek.

Aangezien mijn tweede vak Plastische opvoeding is en Madrid een enorme parel aan kunst is, stelde ik voor om de studenten te laten kennismaken met een museum. Ik wou heel graag een Nederlandstalige rondleidingen geven en dat vond Maria José een goed idee dus werkte ik dit idee met veel plezier uit tot een echte rondleiding. We gingen naar een tijdelijke tentoontelling van Escher. Ik was enthousiast en de studenten al evenzeer. Ik gaf vlak voor het museum een korte uitleg over het leven van Escher en zijn verschillende periodes en toen gingen we met z’n allen naar binnen om te genieten van de prachtige werken die hij gedurende zijn leven maakte. Wanneer we nadien gezellig samen een koffie dronken waren hun meningen dan ook positief over de tentoonstelling. Heel erg fijn!

Het was heel fijn om te merken dat de studenten zoveel interesse toonden in het Nederlands en vragen stelden over België. Wat is er populair, wat voor soort muziek beluisteren wij, wat is er mooi aan België, welke steden zijn de moeite waard om te bezoeken… ik heb al hun vragen dan ook met veel plezier beantwoord.

Ik denk dat het redelijk duidelijk is af te leiden uit mijn bovenstaande tekts, dat ik enorm hard heb genoten van mijn stageperiode hier in Madrid. Naar mijn mening was ze dan ook veel te kort! Ik wil bij deze de studenten toch nog even bedanken voor al hun inzet, medewerking en enthousiasme! Een grote dankjewel aan mevrouw Maria José, ik heb enorm veel geleerd en genoten van de goede samenwerking die we hadden. Het was me een hele eer om even deel uit te maken van dit team.
Bedankt!

maandag, 17 juli 2017 16:01

Een ervaring rijker als student-assistent

Geschreven door


Ruim twaalf weken geleden begon ik als student-assistent aan de Complutense universiteit te Madrid. Toentertijd wist ik totaal niet wat ik zou mogen en überhaupt kunnen doen. Iedere week werd er een nieuw thema uit het boek behandeld. Van daaruit kon ik zelf een presentatie of opbouw maken dat ik zou gebruiken tijdens de conversatieles.
Daar heb ik altijd geprobeerd zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. Hoe spreken wij Nederlanders daadwerkelijk? Lange oubollige woorden werden vervangen voor veelgebruikte woorden, veelgemaakte fouten heb ik uitgebreid uitgelegd zodat de studenten niet dezelfde fouten maken zoals velen in Nederland wel doen.
De studenten leerden snel, waardoor ik ook wat kon vertellen over de cultuur en gewoonten. Dumpert.nl is een klein voorbeeld onder voornamelijk jongeren. (De dierenfilmpjes heb ik daarnaast gebruikt om dierennamen aan te leren).
Daarnaast vertelde ik ook hoe jongeren onderling lijken te verschillen met de jongeren in Madrid.
Maar ook: wat zijn de mogelijke redenen waarom Nederland in de top 5 van gelukkigste mensen ter wereld staat?
Ik heb erg veel geleerd van mijn assistentschap door middel van conversatielessen.

Daarnaast is er voor het eerst is er in april een tweedaagse informatiemiddag georganiseerd voor de Deense, Noorse en Nederlandse taal. Iets waar María Jose Calvo en ik al enige tijd van tevoren mee bezig waren om voor te bereiden. Het belangrijkst voor mij was de presentatie. Een presentatie waarmee we studenten kunnen aansporen de Nederlandse taal te leren. Ook waren er exposities te zien in de bibliotheek gedurende deze dagen. Er waren veel boeken te zien van de Nederlandse, Noorse en Deense taal en cultuur.

                

De eerste dag van de Jornadas begon met een Deense cursus in een uur, dat vervolgd werd met informatie over de Noorse taal. Er was een redelijk grote opkomst, nog meer dan ik verwachtte. Na de eerste twee interactieve uurtjes was de Nederlandse taal aan de beurt. Een informatief klein uurtje over de geschiedenis, gelijkenis met andere talen, en de reikwijdte van de Nederlandse taal buiten de Nederlandse en Belgische grens.

De dag erna was alweer de laatste dag van de Jornadas. Deze keer was de Nederlandse taal als eerst aan de beurt. Deze dag werd er een grotere focus gelegd op de literatuur. Poëzie kreeg een grote plaats. Op het laatst werd er gesproken over waarom studenten een van de drie talen zouden kunnen leren. Dit werd gedaan met behulp van ervaringen. Ook dit was erg interessant. Ook een student kwam aan bod die inmiddels een cursus Nederlands bij María Jose Calvo heeft afgerond.

Al met al waren het twee zeer geslaagde weken. Het waren naast leerzame ook ontzettend leuke weken.

Bedankt!

donderdag, 25 mei 2017 15:33

Joost van den Vondel – De Beemster

Geschreven door

Non aveva tutti i torti, John Ogilby, quando in un pamphlet del 1665 paragonava gli olandesi a dei rospi. Certo, erano i tempi delle guerre anglo-olandesi, e per lo scozzese Ogilby mappare con una mano le strade della Brittania e con l’altra, senza contraddizione, adattare una famosa favola di Esopo a invettiva rivolta ai viscidi avversari sguazzanti nel Mare del Nord, significava osservare i propri doveri di suddito con scrupolo appena eccessivo.

I 18 versi di De Beemster, scritti nel 1612 dal poeta che con gravissima approssimazione possiamo chiamare il Dante dei Paesi Bassi, Joost van den Vondel, mi hanno offerto l’occasione di scrivere qualche parola su un rapporto che da più di un anno incontra il mio interesse: quella tra poesia e paesaggio; rapporto, come quello tra gli olandesi e l’acqua, anfibio. Del Beemster primo polder d’Olanda e della poesia di Vondel parlo in un articolo (“Un paesaggio reversibile. Il caso di De Beemster di Joost van den Vondel”) che voleva essere introduttivo e insieme accidentale, pubblicato nel sedicesimo Quaderno Acerbi: si dovrebbe capire fin dove Ogilby avesse ragione.
Non bisogna infine tacere che oggi dire Beemster significa soprattutto evocare, procurarsi e assaggiare l’omonimo buonissimo formaggio (kaas). Se capitate nei Paesi Bassi, fateci caso.

maandag, 06 februari 2017 16:55

Studeren aan ‘la Complu’: een geweldige ervaring

Geschreven door

Hallo! Mijn naam is Engelina Chaillet, en normaal gezien studeer ik Toegepaste Taalkunde (Ned.-Eng.-Sp.) aan de KU Leuven in Antwerpen. De afgelopen 6 maanden heb ik via Erasmus+ echter mogen spenderen aan de Universidad Complutense de Madrid (beter bekend als ‘la Complu’ onder de studenten). Met trillende benen vertrok ik naar Madrid, bang voor heimwee, maar het was een geweldige ervaring met veel belevenissen, verschillen, nieuwe kennis en nieuwe vrienden. Juist omdat ik zoveel heb beleefd en UCM zo geweldig vind, zou ik het graag met anderen willen delen.

Het grootste verschil is volgens mij de verschillende aanpak: terwijl ik gewend ben aan het studeren van pure theorie voor examens, worden hier de punten grotendeels verdeeld tussen examens en permanente evaluatie. Verplichte aanwezigheid, taken, lessen voorbereiden, essays, vertalingen, groepswerken, discussies… Een wereld van verschil! De focus ligt niet langer op grote stukken theorie, maar een mening ontwikkelen. Het was even wennen, maar ondertussen ben ik hier wel helemaal voor te vinden. Begrijpen is voor mij makkelijker dan vanbuiten blokken, je besef van de leerstof vergroot, en door de vele evaluatiemogelijkheden is het eindcijfer echt representatief voor je inzet en begrip.

Natuurlijk was het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Aangezien het merendeel van mijn vakken in het Spaans werd gegeven, speelde de taalbarrière me in het begin soms best wel parten. Gelukkig was deze achterstand na 2 maanden al bijna volledig weg, en ik kan trots zeggen dat ik de afgelopen periode meer Spaans heb geleerd dan de vorige 2 jaar! Ook de verschillende mentaliteit was in het begin een bron van frustratie: hoezo maakt het niet uit als je niet punctueel bent, hoezo is het niet duidelijk wanneer de prof/test/eindtaak er is?! Maar goed, al mistte ik in het begin de helderheid van België, ik weet zeker dat ik binnen een paar maanden de Spaanse ontspannenheid nog meer ga missen.

Behalve lessen volgen en voorbereiden, nam ik ook deel aan het student-assistent-programma van de Nederlandse Taalunie. Zo’n 4 uur per week was ik de trotse assistent van professor Calvo: lessen Nederlands mondeling voorbereiden en geven, artikels schrijven en verbeteren, een bezoek aan een tentoonstelling voorbereiden… Allemaal ervaringen die ik anders niet zou hebben opgedaan, en de ideale manier om erachter te komen wat ik later graag zou willen doen: lesgeven staat officieel op het lijstje!

 Ten slotte mag ik ook de Spaanse gastvrijheid niet vergeten. Zowel in de lessen als gewoon op prachtige campus (die trouwens gigantisch is; beeld je een Amerikaanse campus in) werd ik regelmatig aangesproken. ‘Of ik een erasmusstudent was? Of ik hulp nodig had?’ Ik heb nooit lang met een vraag of probleem gezeten, en de vrienden die ik heb gemaakt, ga ik snel weer terugzien omdat zij nu mij willen komen opzoeken.

Om het allemaal samen te vatten in 3 woorden: beste beslissing ooit. Het was niet makkelijk om zo lang alleen in een ander land te wonen en te studeren, maar ik ben erdoor gegroeid als persoon, en met alle ervaring in mijn achterhoofd, heb ik nu het gevoel dat ik wereld aankan. Ik ben iedereen, aan UCM én daarbuiten, dankbaar voor al hun steun: Madrid is mijn tweede thuis geworden.

(Als je meer zou willen weten over mijn avonturen in Madrid en in de toekomst, ik heb een Engelstalige blog die ik net voor Madrid ben begonnen en waarop wekelijks iets nieuws verschijnt: papelychanel.wordpress.com)

donderdag, 26 januari 2017 15:43

M. Nijhoff – Awater

Geschreven door

Vocazione, inseguimento, attesa scandiscono le stazioni di un viaggio che si voleva più breve: quello di Awater, finalmente tradotto in italiano, per i tipi di Raffaelli, a 82 anni di ritardo dalla pubblicazione originale. Il passeggero, nell’annosa sosta su una banchina recentemente ammodernata – quella della stazione di Utrecht – ha spiccato un salto, ha preso il treno che chiude, aprendo però alle più disparate interpretazioni, questo poemetto scritto nel 1934 da Martinus Nijhoff, quando l’aria che tirava era tesa di presagi, pregna di scongiuri.
Awater è il poemetto più commentato della poesia in neerlandese. Contiene un verso proverbiale: er staat niet wat er staat (tradotto in « non dice ciò che dice »): formula di reticenza, di rimando ed evasione circolare, secondo il movimento tipico della verità rivelata: mostrare nascondendo. Non è tanto l’ineffabile dantesco, che presuppone una visione avvenuta, quanto l’indovinello della natura, pudica ed esposta insieme. È la stessa trasparenza, lo stesso accecamento delle superfici pittoriche del Seicento olandese non appena interviene, a sdoppiarle, la parentela con la scrittura così bene indagata da Svetlana Alpers.

In quegli anni il poeta teneva un dialogo epistolare con Huizinga, nome più familiare al lettore italiano (pronuncialo più o meno così: hàusinga). Attraversava entrambi un presentimento di tempi nuovi, di ombre che si profilano a suscitare ansie e speranze: chi visse seppe, spesso ne morì. Ma il presente veniva tirato per la collottola da un tempo che prometteva di compiersi, un tempo che W. Benjamin scrutava e definiva messianico. I due, Nijhoff e Benjamin, con tutta probabilità non si conobbero e non si lessero, ma condivisero la stessa preoccupazione per il futuro: un futuro che, colluttando col passato, ne rivela il senso recondito in una scintilla di presente. La rivelazione (openbaring) dovrebbe rappresentare l’apertura definitiva in cui le figure, in senso auerbachiano, si acquietano nella pienezza del senso. In Awater, come nei testi biblici e in Dante, ciò avviene in pubblico (openbaar), nel mezzo di una folla riunita dall’ultima chiamata. Ma nello stipato finale si è revocati uno a uno, la grazia colpisce l’anima nella sua solitudine, l’esperienza ci isola prima di dissolverci in una luce più diffusa.
In tempi di compulsivo e arbitrario saccheggio alle pagine di Benjamin, il caso della prefazione ad Awater mi pare eccezionale: Herman van der Heide se ne serve con plausibile adeguamento e spesso con risultati illuminanti. Prefazione giustamente cauta, ma precisa e densa quando presenta una chiave di lettura allegorica, tanto da riproporci intatto, ogni volta che lo assaliamo, l’enigma degli ultimi versi. È questo, l’enigma, un gesto semantico (mai ermetico) che vibra nell’intera produzione di Nijhoff, un gesto tracciato sulla soglia del testo, nel punto in cui il lettore viene eletto e destinato alla decifrazione. È come se il testo, Awater, rivolgendosi nel congedo a un tu che è l’altro nome della promessa di salvezza, estendesse a sua volta il sorteggio all’indirizzo del lettore.

Il tu, o l’istanza poetica che dice io, diventa proselita di Awater, la figura messianica del poema, senza un appello esplicito, ma per forza d’attrazione. È un io vulnerabile poiché incuriosito dall’anonimato; messo in moto da un impiegato contabile che esercita tutte le attrattive di un’ispirazione ormai priva d’alone sacerdotale: quella del lavoro, del buon senso, della pratica quotidiana. Le qualità, resistibili, del buon olandese. Eppure l’io è spinto da una forza irresistibile a compiere l’azione chiave d’ogni risposta a una chiamata, a una vocazione: il pedinamento. Un pedinamento senza secondi fini, “senza parere” direbbe Bufalino, che si risolve ritrovando se stessi dietro l’angolo; un inseguimento che conduce alla scomposizione dell’abitudine, poiché il nostro percorso devia di fronte alle asperità del dubbio, dell’ipotesi, delle congetture sugli itinerari consueti di chi bracchiamo. Dobbiamo proiettarci in avanti, anticipare le mosse della vittima, consapevoli che sarà la vittima stessa a trascinarci, a lasciarci dietro. La vocazione si compie nel momento in cui il pedinatore e la pedina s’incontrano, si riconoscono ed entrano in un nuovo anonimato: in un nuovo schema: Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd – « Un nuovo schema ridispone i pezzi ». In Awater questo momento è riservato anche al lettore.

In un poemetto che fa della sua forma un meccanismo di amplificazione, più che del senso, della ricerca del senso, le proiezioni e retrazioni dell’esperienza si riverberano nella sequela sonora delle sillabe poste a sigillo del verso come tante cadenze d’inganno. L’assonanza è anche ritorno del rimosso, ossessione, loop: meccanico impigliarsi nel lutto. L’istanza poetica che ripercorre sulle tracce di Awater i luoghi di un passato sbarrato dalla morte della madre e del fratello, deve superare una serie di prove, spesso riprove del proprio trascorso, prima di lasciarsi andare al proprio destino.

E anche il poeta ripercorre il passato letterario che dà sostanza al suo verso: il verso è proprio l’orma di tale passaggio e interrogazione dei modelli poetici. Uno su tutti, la Chanson de Roland. Ripercorrere significa anche riscrivere, ed è quello che fa Nijhoff con il sonetto CCL di Petrarca, cantato da Awater in un bar. (E già il cantore di Laura sentiva che ogni tentativo di far riandare il disco della voce a noi cara si risolve in parodia, meno spesso in dileggio o oltraggio, ma sempre con una macula di becera imitazione, un sogno d’addio, un’alalia…). Il lettore troverà nella prefazione e nelle note di commento tutti i riferimenti necessari a ricostruire una genealogia mai esibita ma indagata con la delicatezza che si usa con un’eredità mutevole, una secolare armonia.

Fa pensare che H. Marsman, una delle personalità di rilievo nella poesia in neerlandese tra le due guerre, scriverà di lì a poco un poemetto tutto intessuto delle traiettorie che Breeroo, il celebre poeta del titolo, vissuto nel Seicento, traccia lungo un’Amsterdam già sereniana nel suo rincorrersi frattale. E fa pensare, nel contesto poetico italiano, che la ricezione della forma poemetto passi da Pascoli, dai suoi tentativi di orecchiare l’italiano parlato e da quelli di indagare il livello pregrammaticale del sistema linguistico, non tanto a Pasolini, quanto a Volponi: il lettore ricorderà le sequenze finali di Memoriale, in cui il paranoico Albino Saluggia riscopre la poesia attraverso il piacere catartico di cui gode lasciandosi andare alla catena dei suoni. È proprio a Volponi che bisogna accostare l’esperienza di Awater; ma come si accosta la sanità alla malattia.

M. Sironi, Periferia, 1922

Veniamo alla traduzione. Di un traduttore che traduce da lingue minoritarie, dobbiamo fidarci come di chi ci guida in una regione disabitata. Il neerlandese non è orecchiabile, è una galleria del suono spazzata da turbinii e distorsioni per chi orecchia o padroneggia i lampi stringati dell’inglese o il lessico snodabile del tedesco. Balena, voglio dire, una sillaba nota, lunga o corta, secondo prosodie che l’italiano ha tanto balbettato nascendo dal latino, una sillaba che per influsso dell’inglese oggi riscopre la propria identità latina: ma si arresta prima di compiersi in un richiamo comprensibile, in una magia che riesce. Il neerlandese si origlia. Chi vede o legge il testo a fronte troverà allora qualche cenno famigliare disperso in un brodo di babele, ma avrà bisogno di una guida per attraversare, se non le sonorità, almeno il senso del poema. La lingua di Nijhoff, fatta eccezione per il prologo sostenuto dalla memoria biblica, fortissima nei poeti protestanti, è piana, sa scendere senza stridio e senza retorica delle piccole cose persino nell’intimità più effusa e sa conservare il peso specifico d’ogni sillaba nelle sequenze narrative che lo distribuiscono senza dimezzarlo. Si tratta di un equilibrio tra verticalità e orizzontalità, tra sufficienza della lettera e necessità del sovrasenso che ha del miracoloso: meglio, del meccanico, di un ingranaggio oleato da naturalezza e tecnica. L’insidia della tecnica poetica trova qui un esempio (per fortuna non metaletterario) tanto rigoroso quanto ambiguo. La sfida lanciata al traduttore, sfida che Nijhoff in persona coglieva nelle traduzioni dall’inglese e dal greco antico, è appunta insidiosa, specie per chi volge in italiano. Mi riferisco alla tradizione poetica italiana e alle vicende della lingua italiana, così generose nel distanziare la lingua parlata da quella scritta, in una scollatura ora colmata dal ricorso al dialetto, subito azzoppato dagli intenti espressionistici o “populisteggianti” (ma c’è anche, in tutt’altra direzione, la patinatura, che so, veneziana, di un Noventa…), ora portata all’estremo di arcaismi e armature retoriche. Conforta allora sapere che Monica Puleo ha saputo intercettare senza troppe distorsioni la levigatezza e anche la fissità del pentametro di Nijhoff, sacrificando in partenza ogni tentativo (forse impossibile) di riprodurre il sistema di assonanze dell’originale. Il metro di Nijhoff non depista ma incede lineare come Awater: e come Awater fa i conti con la propria memoria sonora. E il traduttore, insieme all’io, sente una vocazione, insegue, pedina, tallona l’originale… finché non si garantisce quell’anonimato che lascia alla lingua il compito di risuonare.

Un libro che non può mancare nella biblioteca di chi si occupa del modernismo in letteratura: o anche del lettore-compagno di viaggio, reisgenoot, che alla ricerca di un’alleanza tra suono e senso s’incammina verso l’enigma.

È possibile ordinare il libro qui: M. Nijhoff, Awater, Raffaelli editore, 2016

 

Uit de blog van Giuseppe Cocomazzi

Een hele mooie Nederlandse ervaring in Coimbra

De vorige zomer van 4 tot en met 10 september (2016) zijn wij naar Coimbra gegaan om deel te nemen aan een intensieve Nederlandse zomercursus op de vermaarde en antieke Universiteit van Coimbra. Wij waren 30 studenten uit Italië, Portugal, Spanje, Turkije, Israël. Bijna alles was door de Taalunie betaald. Elke student moest ouder dan 18 jaar zijn en een A2 niveau hebben. Op de dag van aankomst hebben wij de universiteit en Museu da Ciência bezocht. Op die eerste avond hebben we een welkomstdiner gehad. Wij hebben in een hostel in het centrum van Coimbra gelogeerd. Het thema van deze cursus was lied en gedicht. Wij hadden drie docenten: Lisbet Winkelmolen werkte met poëzie: elke dag koos zij een onderwerp en wij hebben verschillende gedichten geanalyseerd over dit onderwerp, Eveline de Bruin werkte met liederen: wij hebben ook zelf stukjes van liedjes geschreven. Elke dag hebben wij verschillende lessen gehad: de eerste was de taalgymnastiek met de docente Antoinet Brink. Deze bestond uit: liederen, intonatieoefeningen en dansen. ’s Avonds waren wij vrij en wij wandelden rond in het centrum van Coimbra. De laatste twee dagen kwam een andere docent: Arthur Verbiest en hij heeft lessen over Nederlandse rapmuziek gegeven. De lessen waren in het Nederlands maar de docenten praatten niet zo snel zo deze cursus was een fantastische kans om de taal te leren in een dynamische manier en om onze geesten te vergroten want wij hebben nieuwe mensen, hun culturen en ook en zelfs de Portugese tradities gekend. Wij gingen ook naar Vila Pouca de Beira waar het huis van een Nederlandse dichter, Gerrit Komrij, is. Daar heeft de biograaf Arie Pos sommige gedichten van Komrij gelezen. Daarna hebben wij in de tuin een concert van Arie Pos en Eveline gevolgd. Het was spannend. De laatste dag hebben we een presentatie gedaan ook met onze docenten. Eveline de Bruin heeft een concert gespeeld. Wij, in groepen van twee, hebben een gedicht gedeclameerde. Tijdens de week hebben wij het gedicht geleerd en de docenten hebben ons geholpen met de intonatie.
Een grote dank gaat aan de Taalunie en aan onze docenten die ons de mogelijkheid hebben gegeven om deze stimulerende ervaring te beleven. Een dank ook aan de heel beschikbare docenten van de cursus die altijd klaar voor ons stonden en actief meededen en dank aan alle mensen van de plaats die ons thuis hebben laten voelen. We hopen ze allemaal weer snel te zien.
Palmina Pastore e Alessandro Crisci
Università degli studi di Napoli “L’Orientale”

Pagina 1 van 2